Geschiedenis

Rond 1.500 trokken de eerste mensen uit zuidelijkere delen van het land naar deze regio. Grote delen van het gebied werden gekapt en platgebrand om de grond geschikt te maken voor landbouw (met of zonder toestemming). Deze manier van "kappen-en-verbranden" werd tot het midden van de 19e eeuw gebruikt. Veel plaatsnamen in het gebied eindigen op "aho", wat open plek in het bos betekent.

De nieuwe bewoners van het gebied leerden van de Sami de vaardigheden voor het hoeden van kuddes rendieren.  Het hoeden van rendieren bleek een goede aanvulling op de "kappen-en-verbranden" methode. De rendieren aten het baardmos en paardenstaartmos dat op de omgehakte bomen groeiden die lagen te drogen tot ze verbrand konden worden. En de rendieren werden vervolgens gebruikt om hooi en gewassen over moeilijk begaanbaar terrein te vervoeren.

Aan het eind van de 19e eeuw werd de handel in rendiervlees economisch interessanter dan het hoeden van kuddes en werden de Reindeer owners associations opgericht.

Naast landbouw en rendieren werd tot het eind van 19e eeuw ook veel gejaagd op herten, elanden, wolven, eekhoorns en ganzen. Veel plaatsnamen in de regio zijn gerelateerd aan de jacht

Met de oprichting van Metsähallitus (1859), de nationale commissie voor bosbouw, kwam langzaam een eind aan de "kappen-en verbranden" methode omdat deze ten koste ging van de bossen die deze organisatie wilde behouden voor de houtindustrie.

Nadat de "kappen-en-verbranden" methode aan banden was gelegd gingen de boeren over op het houden van vee. De gronden die bij de boerderijen hoorden waren echter klein en boden niet voldoende ruimte om hooi voor de winter te produceren. In verband hiermee werd hooi geoogst van de natuurlijke graslanden in de omgeving.

Vochtige graslanden en graslanden die bij hoogwater onderliepen waren het meest geschikt om hooi te oogsten. Door de overstromingen konden hier geen mossen en bomen groeien. Om de gebieden onder te laten lopen werden dammen gebouwd in de beken die door door deze velden liepen. Eind juli werden de dammen geopend en vielen de grasvelden weer droog zodat het hooi kon worden geoogst. Tot 1960 is op deze wijze hooi geoogst en in het landschap zijn de tekenen van deze vorm van landbouw nog altijd terug te vinden.

Aan het eind van de 19e eeuw werd bosbouw een belangrijke bron van inkomsten door de komst van stoom aangedreven zaagmolens aan de kust bij de Botanische golf. De rivier de Iijoki werd gebruikt om de boomstammen te transporteren. De vele beken in de omgeving werden gebruikt om de boomstammen naar de Iijoki te vervoeren. Om het waterniveau in de beken omhoog te krijgen werden dammen gebouwd die ervoor zorgden dat door het smeltwater van de sneeuw het waterpeil omhoog ging. Op smalle plekken werden bredere waterlopen aangelegd. De restanten van de dammen en de houthakkershutten zijn nog altijd in het park aanwezig.

De bosbouw heeft zich waarschijnlijk niet uitgestrekt tot de bossen op grotere hoogte omdat transport van de boomstammen moeilijk en duur moet zijn geweest. Hierdoor zijn op deze hoogte nog oerbossen aanwezig.

Natuur

Finland is het dunst bevolkte Scandinavische land en kent vele schitterende natuurgebieden. Circa 65% van het land is bosgebied. De bossen bestaan voornamelijk uit dennen, sparren en berken. Verder zijn in het "Land van de duizend meren " zo'n 190.000 meren te vinden. Finland heeft 35 nationale parken (2005). In deze parken ervaar je de ongerepte natuur en de uitgestrektheid van de Finse bossen. Iso-Syöte is een van deze parken.

Iso-Syöte wordt ook wel de poort naar Lapland genoemd. Dit gebied is het meest zuidelijke fjeld-gebied van Fins Lapland en ligt circa 150 km onder de poolcirkel. Het nationaal park bevindt zich in de provincie Oulu en is gelegen tussen Posio in het noorden en Taivalkoski in het zuiden. Iso-Syöte is sinds 2000 een nationaal park en heeft een oppervlakte van circa  29.900 hectare. Het behoort hiermee tot een van de kleinere parken van Europa, maar is daarom niet minder aantrekkelijk. De oude naaldbossen, met hun rijke ondergroei, de rivieren en meren, de kloven die zijn ontstaan na de ijstijd en de moerassen zijn adembenemend.

Het park bestaat uit vier gebieden, namelijk Syöte, Maaselkä, Latva-Korte-Kärppävaara en Salmitunturi.

Syöte, het grootste van de vier gebieden, bestaat uit een keten van oude bossen. Een deel van deze bossen zijn ontstaan na natuurlijke bosbranden of als gevolg van de "kappen en verbranden " landbouw uit het verleden. Na de branden zijn deze bossen veelal 10-tallen jaren ongemoeid gelaten en hebben zich kunnen ontwikkelen van loofbossen tot oude naaldbossen (m.n. sparren). De bossen kenmerken zich door de ouderdom van de bomen, de grote variatie van boomsoorten, de grote hoeveelheid rottende bomen en de variatie in de leeftijd van de bomen.

Een kwart van het gebied bestaat uit moerassen. Veel van deze moerassen zijn overblijfselen van de oude weidecultuur. Ook zijn er restanten te vinden van de "kappen-en-verbranden" landbouwmethode, rendierhouderijen en boomkwekerijen uit het verleden. Er zijn in de regio verschillende soorten moerassen te vinden, in de dalen op de hellingen van heuvels (hangende moerassen) en op de top van de heuvels.

Ook zijn in het park en de omgeving restanten van de ijstijd terug te vinden. Op sommige plekken heeft het smeltende ijs van de ijstijd de rotsen weggevaagd. Zo zijn er prachtige ravijnen ontstaan, als Vattakuru en Portinkuru, met gruishellingen die wel 20 meter diep kunnen zijn.